direct naar inhoud van 5.1 Flora en fauna
Plan: Bestemmingsplan Het Nationale Park De Hoge Veluwe
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0228.BP2012VELU0002-0201

5.1 Flora en fauna

Inleiding

Met de komst van de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet dient bij ruimtelijke ontwikkelingen bekeken te worden in hoeverre deze effecten hebben op beschermde soorten of gebieden en of daarvoor ontheffingen ex artikel 75 van de Flora- en Faunawet of een vergunningaanvraag Natuurbeschermingswet voor nodig is.

Flora en faunawet

De Flora- en faunawet is per 1 april 2002 van kracht. In deze wet is in artikel 2 de zorgplicht opgenomen. Deze plicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor de flora of fauna zal hebben verplicht is deze handelingen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, dienen de verbodsregels artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet in acht te worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek dient te worden uitgevoerd naar het voorkomen van dieren- en plantensoorten die op grond van de Flora- en faunawet bescherming genieten.

Natura 2000

De Veluwe is het grootste Natura 2000-gebied van Nederland. Natura 2000 is het samenhangende netwerk van natuurgebieden in Europa, die worden beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet. Het doel van het Natura 2000-beleid is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. In beheerplannen leggen Rijk en provincie vast welke activiteiten op welke wijze mogelijk zijn. Voor de Veluwe is nog geen beheerplan vastgesteld.

Het overgrote deel van de Veluwe is bebost (ca. 73.000 ha), waarvan ongeveer een kwart met loofbos en driekwart met naaldbos. De bossen worden afgewisseld met heidevelden, stuifzanden, vennen, landbouwenclaves en enkele beekdalen. Een groot deel van de bossen bestaat uit betrekkelijk jong naaldbos en gemengd bos. Dit bos wordt niet tot een Natura 2000 habitattype gerekend, maar is wel van groot belang voor veel diersoorten en voor de biodiversiteit van de Veluwe in het algemeen.

Ecologische hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het samenhangende netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen in Nederland. De EHS is vastgelegd in het streekplan Gelderland 2005. De totstandkoming van de EHS verloopt via twee sporen: bescherming en ontwikkeling. De bescherming van de EHS wordt vormgegeven door de ‘nee, tenzij’-benadering. Dat houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van een groot openbaar belang. Ontwikkeling gebeurt door het omzetten van (landbouw)grond in natuur en door afspraken met grondgebruikers te maken over een aangepast beheer. Eén van de ontwikkelingsopgaven voor de Veluwe is het saneren van storende bebouwing.

Een belangrijke kwaliteit van de Veluwe is het grootschalige, samenhangende bos- en natuurgebied waarbinnen uitwisseling van planten en dieren mogelijk is, waarbinnen natuurlijke processen zo veel mogelijk ongestoord verlopen, en waarbinnen het beheer optimaal is afgestemd op de gevarieerde natuurdoelstellingen. Er is zowel ruimte voor grote eenheden natuur en natuurbos als voor meer beheerde natuur: multifunctioneel bos, heide, vennen en stuifzanden en de daarbij behorende flora en fauna.

Het beleid is tevens gericht op het realiseren van verbindingen van de Veluwe met de IJsselvallei. Via deze poorten en robuuste verbindingen moeten planten en dieren zich ongestoord kunnen verplaatsen en kunnen abiotische processen zo veel mogelijk ongestoord verlopen.

Uitgangspunten van het onderzoek

In november en december 2011 is een natuuronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkelingen in NP De Hoge Veluwe (voor een complete weergave van het onderzoek en de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlage bij de toelichting).

NP De Hoge Veluwe heeft in 2009 de door haar gewenste ruimtelijk ontwikkelingen in beeld gebracht in het 'Totaalplan 2010 – 2020, Investeren in ruimtelijke ontwikkeling en kwaliteit'. Het plan is er op gericht om de natuur én de belevingskwaliteit van de Hoge Veluwe te verhogen. Tevens beoogt het plan het aantal bezoekers op peil te houden. Dat is noodzakelijk, omdat de betalende bezoekers verreweg de belangrijkste inkomstenbron vormen om het (natuur-)beheer te bekostigen.

Het plan schetst drie fundamenten: de balans ecologie – economie, zonering en saldobenadering en drie pijlers: natuur en landschap, cultuurhistorie, kunst en architectuur en bezoekers. Het totaalplan noemt tien projecten, die de belangrijkste investeringen weergeven. Een aantal van deze projecten vergt een aanpassing van het bestemmingsplan. Het gaat om de volgende projecten:

  • herziening entrees
  • herziening centrumgebied
  • herziening wegen en (fiets-)paden structuur.

De totaalvisie is op enkele ontwikkelingen nader uitgewerkt in een centrumvisie voor het Marchantplein. In hoofdstuk 3 (planbeschrijving) is nader ingegaan op de ontwikkelingen.

Het bestemmingsplan kan alleen worden gewijzigd als zeker is gesteld dat de natuurwetgeving daaraan niet in de weg staat. In dit rapport wordt verslag gedaan van de natuurtoets van de werkzaamheden. Dat wil zeggen dat de ingreep wordt getoetst aan:

  • de Flora- en faunawet (Ffwet).
  • de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet).
  • de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

In het rapport wordt verslag gedaan van bronnen- en/of veldonderzoek, bepaling van de effecten op beschermde soorten planten en dieren (Ffwet) en beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en EHS) en mogelijkheden voor mitigatie van de effecten.

Het doel is zo veel mogelijk informatie te verzamelen om te bepalen of de ingreep kan leiden tot overtredingen van de wetten en regels die zien op bescherming van de natuur. Als dat het geval is, wordt bepaald onder welke voorwaarden ontheffing (Ffwet), vergunning (Nbwet) en/of toestemming (EHS) kan worden verkregen.

Conclusies

Flora- en faunawet

De conclusies zijn opgesteld op basis van de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen.

  • Op het tracé van het nieuwe fietspad kunnen levendbarende hagedis en hazelworm voorkomen. De aanlegwerkzaamheden kunnen leiden tot het aantasten van verblijfplaatsen of het doden van dieren. Dit kan door mitigatie eenvoudig worden voorkomen.
  • Bij de herinrichting van de entree Otterlo en de aanleg van het fietspad zal rekening moeten worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van in gebruik zijnde dassenburchten. De gegevens hierover moeten worden geactualiseerd en gepreciseerd. Het tracé van het fietspad kan waarschijnlijk zo worden aangepast dat aantasting van burchten wordt voorkomen.
  • De kap van bomen in het centrumgebied, op het tracé van het nieuwe fietspad en bij de ingang Otterlo kunnen in beginsel nesten van eekhoorns verloren gaan. Dit is eenvoudig te voorkomen.
  • Er zijn onvoldoende gegevens om de effecten op vleermuizen van de ingrepen in het centrumgebied te beoordelen. Het gebied bij de entree Otterlo kan verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen bevatten. Deze kunnen bij de ingreep verloren gaan.
  • Bij het verwijderen van de beplanting moet rekening worden gehouden met het de aanwezigheid van broedvogels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0228.BP2012VELU0002-0201_0016.png" Tabel 2: Strikt beschermde soorten in het plangebied, overtredingen Flora- en faunawet.

In de bovenstaande tabel zijn de zeker of mogelijk in het plangebied voorkomende strikt(er) beschermde soorten opgenomen. Aangegeven is of en zo ja welke verbodsbepalingen worden overtreden en of een ontheffingsaanvraag ex artikel 75 van de Flora- en faunawet aan de orde kan zijn.

Natuurbeschermingswet 1998

De ingrepen bij de ingang Otterlo en de aanleg van het nieuwe fietspad leiden tot een marginale achteruitgang van de kwaliteit van kleine delen van het secundair leefgebied van wespendief en zwarte specht. Het is uitgesloten dat deze effecten leiden tot een vermindering van de draagkracht van het gebied voor deze soorten en dus dat deze effecten significant zijn.

Het bevoegd gezag, de provincie Gelderland, kan op basis van dit rapport bepalen of een Nbwet-vergunning nodig is.

EHS

Aantasting van wezenlijke kenmerken van de EHS vindt niet plaats. Er gaat ca. 0,5 ha veelvoorkomende beheertypen verloren. Daar staat tegenover dat de ingrepen nodig zijn om de kwaliteit van de EHS te behouden en te verbeteren. Netto is er zeker geen sprake van significante aantasting.

Aanbevelingen

Mitigatie

Flora- en faunawet

Voorafgaand aan de verschillende ingrepen wordt de aanwezigheid van beschermde soorten vastgesteld. De mitigatie van de effecten door de ingrepen is opgenomen in een werkprotocol.

Nader onderzoek

Naar het voorkomen van en effecten op vleermuizen zal nader onderzoek moeten worden uitgevoerd. Het de betekenis van het centrumgebied en de parkeerplaats Otterlo voor vleermuizen. Zonder dit onderzoek kan geen voldoende betrouwbare uitspraak worden gedaan over de effecten op de vleermuizen.

Vleermuizenonderzoek

In periode juni - september 2012 zijn ten behoeve van het vleermuisonderzoek vijf veldbezoeken uitgevoerd, verspreid over het seizoen en over delen van de nacht ten behoeve van het vleermuisonderzoek. Met behulp van de batdetector is gezocht naar in- of uitvliegende, foeragerende, baltsende, zwermende en langs- of overvliegende vleermuizen. Dit is aangevuld met visuele waarnemingen.

In het gebouw van de Koperen Kop zijn verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Door de sloop van het gebouw zullen deze verdwijnen.

Renovatie van het Museonder kan leiden tot het verdwijnen van een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.

Mitigatie worden de negatieve effecten grotendeels of geheel voorkomen. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • Voorkomen van sterfte bij de sloop.
  • Aanbieden van geschikte tijdelijke en permanente voorzieningen voor vleermuizen.
  • Realisatie van voorzieningen voor vleermuizen in de nieuwbouw en/of het Museonder.

Volgens de Soortenstandaard, Dienst Regelingen, 2011 betekent vleermuisvriendelijk slopen in dit geval het volgende:

  • Aan de kopse kant de eerste twee meter het dakriet handmatig verwijderen onder ecologische begeleiding.
  • Verwijderen van de nokpannen onder ecologische begeleiding.
  • Voorzichtig verwijderen van de kozijnen aan de kopse kant op de eerste verdieping.
  • Maken van tochtgaten in de gevels van de verwarmingsruimte en in de schoorsteen. De maatvoering geschiet op basis van advies ter plaatse van een ter zake deskundige.
  • Na deze ingrepen de vleermuizen ten minste twee nachten de gelegenheid geven een ander verblijf op te zoeken.
  • Het gebouwgedeelte rond de schoorsteen en de verwarmingsketel slopen onder ecologische begeleiding.
  • Bij voorkeur slopen in de periode dat de vleermuizen actief zijn (april t/m september).

Vleermuiskasten zijn geschikt als tijdelijke overbrugging voor de periode tussen de sloop van de Koperen Kop en de renovatie van het Museonder en de realisatie van permanente voorzieningen in de nieuwbouw en/of het Museonder. Gewone dwergvleermuizen maken betrekkelijk gemakkelijk gebruik van vleermuiskasten (Dienst Regelingen, 2011). Dat geldt zeker voor groepen mannetjes en voor paargroepen. Dat geldt onder de volgende voorwaarden:

  • Ter vervanging van het zomerverblijf van de groep van 10-20 dieren worden twee grote kasten (met meer kamers) opgehangen.
    • 1. Per paarverblijf worden ten minste drie kleine platte kasten opgehangen.
    • 2. De kasten hangen in de nabijheid (binnen 200 m) van het te slopen gebouw.
  • De kasten worden ruim (ten minste één zomerseizoen) voor de aanvang van de werkzaamheden opgehangen.
  • De kasten zijn voldoende gunstig gelegen ten opzichte van bezonning, foerageergebieden en verstoringsbronnen.

Aangezien het niet gaat om een kraamverblijf of een gebouw waarin grote aantallen vleermuizen overwinteren, is het niet nodig om voor goed gebufferde kasten te zorgen. Integendeel, kasten die door de zon snel opwarmen hebben in veel gevallen de voorkeur. Ook een grote kast op palen is in deze situatie mogelijk.

In de nieuwbouw kunnen op verschillende wijzen vleermuisvoorzieningen worden opgenomen. Bijvoorbeeld door het maken van ruimten onder het dak, achter boeiboorden, in spouwen en achter gevelbetimmering. Het verdient zelfs aanbeveling om verschillende voorzieningen op te nemen, zodat het gebouw verschillende functies in verschillende delen van het jaar kan vervullen.

Het mitigatieplan wordt uitgewerkt in overleg met de architect en de stedenbouwkundige. In het inrichtingsplan worden de mitigerende maatregelen expliciet zichtbaar maken.

Het vleermuisonderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Het onderzoek naar de effecten van de ingrepen nabij de entree Otterlo en bij de beoogde uitbreiding van de ter plaatse aanwezige parkeerplaats op vleermuizen vindt plaats in de zomer van 2013. De bevindingen zullen worden gebruikt bij de detailuitwerking van het herinrichtingsplan. Ingeval er geen vleermuisverblijven zijn, zijn er ook geen aanpassingen nodig. Indien er toch vleermuisverblijven worden vastgesteld, wordt in samenspraak de herinrichting zodanig gewijzigd dat de verblijven gespaard worden en overtredingen van de Flora- en faunawet worden voorkomen. De uitvoering van de herinrichting vindt overigens plaats onder ecologische begeleiding. Met deze handelswijze wordt verzekerd dat Flora- en faunawet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg zal staan. Voor een uitgebreidere beschrijving van deze handelswijze/aanpak wordt verwezen naar de bijlage 'Appendix Natuurtoets vleermuizen Otterlo'.